Inzingen






Voor lessen zang, stemvorming, musical, koorscholing en inzingen: klik links in het hoofdmenu op "Liedbegeleiding/Koor". Er zijn diverse cursusmogelijkheden mogelijk. 


Foto boven: Hans Trip begeleid een koor op het orgel van de De Doelen in Rotterdam. (Koor: Apostolisch Genootschap Enschede). 


Inzingen: 
Ademsteun is een evenwicht tussen ademdruk en stemgeving, het strottenhoofd blijft in ruststand, schouders laag en de buikwand blijft bij inademing ontspannen. De lucht wordt niet zomaar uitgeblazen, maar vastgehouden en geleidelijk uitgeademd. De uitademing wordt door een aantal spieren ondersteund en geregeld: buikspieren (lucht soms met veel kracht naar buiten). 
1/ grote rugspier (goed onder controle hebben) 
2/ lage rugspieren spannen, buik vlakt af en de grote rugspier gaat spannen 
3/ vervolgens (borstkas wordt kleiner) de grote rugspier blijven spannen bij uitademen. 
Bij foutieve borstademhaling wordt het middenrif omhooggetrokken. 
Bij foutieve buikademhaling ontstaat overmatige druk op de buikwand (liesbreuk, scheurtjes buikspieren en pijn onderrug) Uitsluiten buikademhaling is goed in ontspannen situaties. 
De grootte en de vorm van de holten in het aanzetstuk kunnen veranderd worden door een andere instelling van de vorm van de holten, hierdoor worden de klinkers of vocalen: ie uu oe aa oo ee a o en de tweeklanken of diftongen: ui ei ij au ou gevormd. Medeklinkers worden gevormd als er ergens in het aanzetstuk weerstand aan de uitstromende lucht word geboden. 
Een goede houding (apenhouding) zorgt voor een goede balans tussen de spiergroepen, ontspannen schouders en armen en zo de ademhaling altijd volledig onder controle. Verkeerde houding: holle onderrug (gespannen onderrugspieren) slappe buikspieren, slappe bovenrugspieren en gespannen nekspieren, hun antagonisten: de halsspieren zijn dan verslapt, het strottenhoofd en de stembanden zijn dan gerekt en dus niet ontspannen, om de stem goed te laten klinken moet dit gebied ontspannen zijn. 
Zorg er dus voor dat bij het samenstellen van inzingprogramma's er behalve aan de stem (zingen) ook aandacht wordt besteed aan ademsteun en houding. 




Voorbeeld van een inzingprogramma:

  1. Groep bij elkaar brengen (vragen om rust en concentratie)
     
  2. Houding: staan, voeten, knieën, heupen (bekken kantelen), schouders (3xL 3xR 3xLR),  hoofd met kin op de borst van linker schouder naar rechter schouder, hoofd vooral niet achteruit (nek) bewegen.
     
  3. Even stampen, even springen en schop maar even weg
     
  4. Staan, rol op en adem uit (even zo blijven staan) en rol af en adem in en nog een keer rol op en adem uit.......en weer rechtop en adem in.
     
  5. Adem rustig volledig uit, even vasthouden en zuig de lucht door je neus en mond, niet snuiven maar alsof je de omgeving proeft en ruikt en adem met je mond in 'F-stand'uit.
     
  6. Nu ademen we op dezelfde wijze in .....................en fluiten met de mond van hoog naar laag uit (wie niet kan fluiten doet alsof). Dan idem van laag naar hoog en nog een keer kort hoog/laag/hoog/laag (als bij nasaleren).
     
  7. Nu weer hetzelfde maar dan achtereenvolgens op OE, IE en UU
     
  8. Nasaleren: eerst van hoog naar laag, dan van laag dan hoog en vervolgens aanééngesloten van hoog naar laag weer naar hoog en doorgaan, dan hoog tremuleren
     
  9. So mi fa re do so: telkens kleine seconde naar beneden. Beginnen op g'. 
    ( +- 8 x)

     
  10. Naar boven op c' beginnen: c'e'g'c''g'e'c' beginnen met "gapen" vervolgend bij elk nieuw woord telkens een kleine secunde hoger:, alles legato.
    Ga aa aa aa aa pen  
    Lo oo oo oo oo oo pen
    Rui ui ui ui ui ui ken 
    Ge ee ee ee ee euwen 
    En dan weer:  Roe oe oe oe oe oe pen......

     
  11. Canon (naar keuze)


Rustig tempo en de inzingoefeningen herhalen, de canon bijvoorbeeld minimaal drie keer voorzingen.
Hans Trip


Mail 
voor een gratis proefles/kennismaking.



Beknopte voorbereiding dirigent 

A. Componist en tekst: 
Zoek zoveel mogelijk informatie over de herkomst van het lied/muziekstuk, over de componist en tekstschrijver (wanneer leefde hij, door wie beïnvloed, welke composities zijn er nog meer van hem/haar, etc). 
Behandel de betekenis van de tekst 
B. Harmonie: 
Maak een harmonische analyse van het stuk. 
C. Melodie en ritme: 
Wat zijn de melodische verlopen? Wat is de hoofdmelodie? Welke ritmes komen vaak in het stuk voor? 
D. Vorm: 
Analyseer de vorm van het stuk. Hoe zit het stuk in elkaar. 
E. Uitvoering: 
Oefen het dirigeren, staand voor de lessenaar alsof je voor het koor/orkest staat. Oefen de inzetten, vooraf aangeven van tempo. Wees duidelijk in het aangeven van dynamiek. 
Let op articulatie. 
E. Bladmuziek, repetitieschema: 
Maak een overzicht van je repetitie, bepaal vooraf welk resultaat je wilt bereiken in welke repetitietijd. 
Bereid de wijze van het aanleren voor. 
Zorg dat alle zangers in het bezit zijn van bladmuziek (ook gelegenheid-zangers) 
F. Inzingen: 
Geen repetitie zonder inzingen, zie voorbeeld inzingprogramma hierboven. 

Hans Trip 




terug... ]Omhoog